Bond voor landpachters en eigen grondgebruikers

Het gaat niet meer over glyfosaat

Op 27 januari 2022 heeft de Centrale Grondkamer wederom een uitspraak gedaan over het verbod van glyfosaat in een geliberaliseerde pachtovereenkomst. Voor de BLHB stond vooral de motivatie en de werkwijze van de Centrale Grondkamer in deze uitspraak centraal. De harde conclusie is dat de Centrale Grondkamer op alle mogelijke manieren het verbod op glyfosaat wil rechtvaardigen. Zij opent hiermee voor de verpachters de deur om zonder steekhoudende argumenten en relevante rapporten allerlei ver- en geboden in pachtovereenkomsten te laten opnemen.

De zaak

Stichting Twickel had beroep tegen een beschikking van de grondkamer Oost ingesteld. De grondkamer Oost had het verbod op het gebruik van glyfosaat voor tweejarige (geliberaliseerde) overeenkomsten bijgesteld. De grondkamer stelde dat door het verbod de kans aanwezig was dat de pachter het gepachte niet in dezelfde staat kan opleveren dan hij heeft ontvangen. Dus kon de pachter niet op deze achteruitgang worden aangesproken. De verpachter accepteerde deze bijstelling niet en ging in beroep.

De Centrale Grondkamer vond al eerder in uitspraken dat glyfosaat nog in bepaalde mate is toegelaten. Grondeigenaren kunnen volgens de Centrale Grondkamer in beginsel met een privaatrechtelijke pachtovereenkomst in het kader van duurzaam gebruik beperkende voorwaarden aan het gebruik stellen. De Centrale Grondkamer heeft aangegeven dat in andere soorten overeenkomsten dan de geliberaliseerde de inperking van de exploitatievrijheid van de pachter door glyfosaatverbod wel als een buitensporige verplichting kan worden aangemerkt. Aan de hand van de omstandigheden moet worden beoordeeld of er sprake is van buitensporigheid.

Situatieschets en toetsing middelen

In deze situatie exploiteert de pachter een regulier melkveehouderijbedrijf. Om een voldoende hoge bedrijfswinst te kunnen behalen moet hij de gronden voor de bedrijfsvoering optimaal kunnen gebruiken. Om tot een optimaal graslandbeheer te kunnen komen, moet de pachter maatregelen kunnen treffen die binnen zijn mogelijkheden liggen. Uiteraard is dit niet onbeperkt, omdat de agrarische bedrijfsvoering aan wet- en regelgeving moet voldoen.

Voordat gewasbeschermingsmiddelen en biociden op de Nederlandse markt worden toegelaten, toetst en beslist het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Het Ctgb kijkt naar de effecten op het milieu, de effecten op de mens (toxicologie) en de fysisch chemische eigenschappen. De eigenschappen van de stof worden dus beoordeeld, zoals de giftigheid, de afbraaksnelheid in het milieu en dergelijke. Agrariërs kunnen alleen middelen toepassen die wettelijk zijn toegestaan en binnen de wettelijk vastgestelde gebruiksvoorwaarden. Dit is tijdens de zitting door de pachter naar voren gebracht.

Buitensporigheid

Het uitgangspunt voor de Centrale Grondkamer is dat een pachtovereenkomst wordt goedgekeurd tenzij sprake is van buitensporige verplichtingen voor de pachter die uit de pachtovereenkomst voortvloeien (als bedoeld in artikel 7:319 lid 1 van de pachtregel.) Een verplichting is buitensporig in de zin van dat artikel 7:319 als zij mede gelet op de hoogte van de overeengekomen pachtprijs, kennelijk niet in redelijke verhouding staat tot het genot dat de pachter uit hoofde van de pachtovereenkomst wordt geboden.

In deze situatie kan de Centrale Grondkamer de pachtprijs niet als graadmeter nemen, omdat de pachtprijs voor een geliberaliseerde overeenkomst korter dan zes jaar niet is gereguleerd, geen databank voor deze pachtprijzen bestaat en er geen referentieprijs voor deze pachtvorm kan worden opgesteld omdat de overeenkomsten niet met elkaar te vergelijken zijn. Dit constateert de Centrale Grondkamer ook, maar zij concludeert dat de hoogte van de pachtprijs wel kan meewegen voor het beoordelen van de buitensporigheid van een bepaling.

Verbod is geen verbod

Volgens de verpachter was het glyfosaatverbod in de overeenkomst opgenomen ter bescherming van het kapitaal. De verpachter hoefde dit niet te onderbouwen. De verpachter had in haar beroep gemeld dat zij nog een (wetenschappelijk) rapport zou leveren, maar heeft dit niet gedaan. Wij mogen ervan uitgaan dat dit rapport kennelijk niet bestaat. De Centrale Grondkamer vond het klaarblijkelijk niet nodig verpachter op dit verzuim te wijzen, of liet de hierop gebaseerde argumentatie buiten beschouwing.

In deze geliberaliseerde overeenkomst is zonder enige nuancering expliciet een verbod op het gebruik van glyfosaat opgenomen. Verpachter had ervoor kunnen kiezen dat het gebruik in overleg met de verpachter mogelijk was of het gebruik onder specifieke voorwaarden kon plaatsvinden.

Tijdens de zitting werd de verpachter bevraagd of het verbod ook een expliciet verbod was. De verpachter gaf het slimme en sociaal wenselijke antwoord dat als de pachter een groot probleem had hij in overleg kon treden, dat ze dan gezamenlijk tot een oplossing konden komen, en zelfs kan worden ingestemd met het gebruik van glyfosaat. De Centrale Grondkamer legt dit zo uit dat partijen zich overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid moeten gedragen en nuanceert dat het verbod geen verbod hoeft te zijn! Dit is een opmerkelijke constatering omdat tijdens de zitting bleek dat de verpachter geen nuancering of toevoeging op het verbod in de vast te stellen tekst wilde. Het goedgekeurd schriftelijk verbod is bepalend en niet de redelijkheid en billijkheid, want dit is op geen enkele manier te concretiseren.

Opheffen buitensporigheid

De verpachter zal de pachter bij het einde van de pachtovereenkomst niet aanspreken op het opleveren in een andere staat dan waarin het gepachte in gebruik is gegeven, als dit het rechtstreeks gevolg is van het verbod op het gebruik van glyfosaat en pachter redelijkerwijs geen andere maatregelen heeft kunnen treffen om dit te voorkomen. De Centrale Grondkamer stelt dat door deze toevoeging de buitensporigheid wordt opgeheven. 

Met het laatste deel van de toevoeging ‘pachter redelijkerwijs gen andere maatregelen heeft kunnen treffen om dit te voorkomen’ zet de Centrale Grondkamer de pachter alsnog voor het blok. Wie bepaalt wat redelijkerwijs is? Dit lijkt bijna op een uitnodiging voor een volgende gang naar de rechter. 

Kern van het probleem

Kweekgras in grasland kan niet zonder glyfosaat en niet rendabel binnen de tijdsduur van de overeenkomst op alternatieve wijze worden bestreden. Tijdens de zitting heeft de verpachter dit niet weersproken. Ook heeft de verpachter niet weersproken dat een alternatieve bestrijding van in grasland voorkomend kweekgras tevens tot gevolg heeft dat het gepachte minder voor de pachter opbrengt. 

De Centrale Grondkamer stelt als uitgangspunt dat het de verpachter is toegestaan om het gebruik van glyfosaat op het verpachte te verbieden met het oog op de bescherming van de bodem en het bodemleven, ook al is glyfosaat als middel ter bestrijding van onkruiden toegelaten tot de markt. 

Dat in dit geval glyfosaat daadwerkelijk schadelijk voor de bodem en het bodemleven is, wordt door de Centrale Grondkamer niet onderbouwd, maar als een bewezen feit aangenomen. Ook bij de andere uitspraken over glyfosaat zijn er geen rapporten overhandigd die het uitgangspunt van de Centrale Grondkamer onderbouwen. Evenmin zijn er wetenschappelijk studies bekend die de ingenomen positie van de Centrale Grondkamer ondersteunen.

Opvallend is wel dat de Nederlandse rechter deze lijn van denken – waarbij wet, verdrag of zoals in dit geval een Europese toelating, naar believen kunnen worden gematigd, genegeerd in het kader van een ‘hoger belang’ of een sterk gevoelde ‘maatschappelijke noodzaak’ – extensief kunnen interpreteren. De voorzitter Mr. Th.C.M. Willemse van Centrale Grondkamer en Pachthof heeft deze lijn van denken in het Tijdschrift voor Agrarisch Recht (TVR 2021 nr.9) verwoord.

Volgens Willemse neemt de druk op het duurzaam maken van de landbouw toe en leidt dit tot een maatschappelijke roep om een drastische omslag in de landbouw. Ook bedrijven die niet omschakelen en in een kwetsbaar gebied liggen, liggen volgens haar onder vuur. Het is onduidelijk of zij daarmee haar mening geeft, een maatschappelijke trend verwoordt of een politiek statement maakt. Zij merkt namelijk niet op of deze maatschappelijke roep ook tot enig overheidsbeleid of wetgeving aanleiding zou moeten geven. Wat de ene verpachter wil verplichten, kan door de ander verboden worden. Door zaken als duurzaamheid aan de markt over te laten ontstaat er een mogelijk onwerkbare situatie voor de pachter. Dat wat het best generiek geregeld wordt vanuit het algemeen belang, zoals dat op enig moment wordt beleefd en politiek kan worden vertaald, moet ook generiek worden geregeld. Het overlaten van regelgeving aan het maatschappelijk verkeer of aan een rechterlijke toets die niet anders is dan een toets van dat wat de rechter redelijk en billijk vindt, leidt tot misstanden en afbraak van het gezag van de rechterlijke macht.

Door de uitspraken over glyfosaat lijkt het erop dat de Centrale Grondkamer zich opwerpt als de vertolker van die door hen waargenomen maatschappelijke roep. Kort door de bocht geformuleerd hoeft er kennelijk maar een maatschappelijke roep/gevoel/stroming of ontwikkeling te zijn, die zich kan verheugen op de sympathie van rechterlijk activisme en alles is mogelijk. Meningen krijgen bewijskracht, feiten zijn irrelevant en verdacht geworden.

Oplossing

Op de uitspraken van de Centrale Grondkamer kan geen vervolg worden gegeven. Dan resten nog twee mogelijkheden, beide weinig aantrekkelijk, en dat is dat de wetgever de extensieve interpretatie van wetgeving expliciet verbiedt, hetgeen om betere wetgeving vraagt, of afschaffing van de (centrale) grondkamers. Dit laatste was ook de conclusie van mr. W. Bruil die de pachtregel in 2013/2014 evalueerde en met een reeks van aanbevelingen kwam.